Een, twee, drie….we hebben er zevenendertig geteld. Luizen. En dat na een behandeling vorige week met een superefficiënt Belgisch product. Amélie stond geduldig te wachten terwijl ik haar haartjes aan het uitkammen was en danm zei ze met een serieus gezicht: “Mijn hoofdje is niet voor luizen! Het is voor te kijken. En voor te eten!” Daar hebben jullie het, luizen, hopla, wegwezen!
Monthly Archives: May 2010
Amélie – een prinses
Huisruil met Lenin
Berlijn. Een wereldstad met 3,5 millioen inwoners, waaruit er 18 procent werkloos zijn. Een draaikolk van gebeurtenissen die zelfs de perversste dwaas niet zou kunnen bedenken mochten die niet waar zijn. De hoofdstad van de holebi´s, al sinds de jaren twintig. Een melting pot van culturen. Wij ertussen met drie kinderen in een vreemde woning met meubels van de jaren vijftig, wellicht opgeraapt op één van de rommelmarken deze stad rijk is, met een schilderij van Lenin aan de muur. Retro? Geen idee…
Retro is hier precies in trek. Van onze woning in Wedding, een levendige gemeente met een turkse stempel ten noord-westen van het centrum, kom je tot aan de U-bahn drie straten verder ongeveer vijf rommelwinkels voorbij. Allemaal spullen waar je je van afvraagt waarom ze al lang niet in warmte omgezet werden in verbrandingsovens. In het centrum zelf kom je er ook tegen, maar daar noemen ze “retro” of “vintage”.
Of Lenin in de gang, en het boek van Lenin in de living nu “retro” of “recycleerbaar” is, dat weet ik niet. Wat ik wel weet is dat na de lange jaren van het communisme en alle terreur dat het met zich meebracht deze stad wel een pauze verdient van dergelijke geschifte personages. Want onze tot nu toe driedaagse kennismaking met de geschiedenis van Berlijn van de 20ste eeuw is niet voor watjes.
Niet ver van de beroemde symbolische Brandenburger Tor is op een reuze oppervlakte in het hart van de stad een betonnen bos ontstaan. Allemaal grijze blokken, allemaal even breed en even lang, alleen de hoogte verschilt. Eerst lijkt het een beetje simplistisch opgezet, totdat je tussen de blokken heen treedt en je in een mum van tijd in een claustrophobisch doolhof bevindt van hoge zuilen met smallen doorgangen waar je niets of niemand meer terug vindt. Erg symbolisch. Kinderen vinden het doorgaans prachtig om er door te lopen, ik werd er misselijk van. De symboliek van het Joodse noodlot lag er dik, maar toch niet overdreven, op. Pure gruwel.
De architecten kregen in Berlijn in de jaren 90 een blanko kaart. Wat een uitdaging! En wat een pracht ervan ontstaan is – de Potsdammer platz of de nieuwe regeringsgebouwen aan de Spree vol glas en onverwachten hoeken, of de totaal geschifte winkelpassages aan de Friedrichtstrasse.
Maar dan spring je op de double-decker 200 en laat je je langs al het historische erfgoed, nog geen twee kilometers verder naar de overkant van de rivier brengen en daar, op nog geen drie honderd meter van de Berlijnse katedrale, sta je voor het lelijkste der paneelgebouwen, regelrecht terug in het Oost-blok. Ook goede morgen….
De muur staat er al lang niet meer, maar op vele plaatsen is het even duidelijk aan welke kant men zich bevindt. Toch blijft het fascineren. Wat dachten de mensen aan de beide, toen nog ongescheide kanten van de stad toen ze op 13 augustus 1961 ´s ochtends overal soldaten in de weer zagen een muur te bouwen, middel door straten, soms midden door huizen. Dat kunnen die toch niet menen zou een menige ongelovige Thomas hebben gedacht, niet eens in overweging nemend dat hij binnen een paar dagen niet meer naar zijn werk in het Westen, of nog erger, naar zijn eigen familie zou kunnen gaan.
Toen bleek dat één muur niet genoeg was en mensen wierpen zich uit vensters om over de muur te geraken, begon de DDR regime de muur alsmaar te versterken. Eerst gingen alle vensters die uitzicht gaven over de muur dichtgemetseld worden en mensen geevacueerd. Dan gingen ze de gebouwen slopen, en zelfs een kerk, om een beter inzicht te hebben van wat er in het muurgebied gebeurt. Dan kwam er nog een binnenste muur en ertussen waakhonden, waaktorens en automatische schietgeweren. En toch bleven mensen hun levens riskeren om over die muur te geraken. Met tunnels graven, mensen smokkelen in luidsprekers of surfplanken, kinderen in winkeltassen. Dikwijls lukte het, dikwijls niet, zoals weergegeven door het Haus am Checkpoint Charlie, een beroemde oversteekplaats naar de Amerikanische sector, of in het Documentatie centrum aan Bernauerstrasse waar een stuk muur met de verschillende zones plus een waaktoren bewaard gebleven is.
Frappant is dat er vandaag de dag maar weinig van de lugubere sfeer van de oorlog en de naoorlogse geschiedenis in de lucht is blijven hangen. In tegendeel. Het bruist hier met mensen, eerder jong dan oud, en eerder alternatief dan in grijze pakken. Zodra de zon doorkomt schieten er terrasjes als paddestoelen uit de grond. Tussen bellenblazers zigzagen fietsers, in de lucht schitteren fragmenten van saxofoonmelodieën die naar hier overgewaaid zijn van de oevers waar de rederijen het druk hebben om toeristen de nieuwe glamoureuze gebouwen van de rijkskanzler langs de waterkant te laten zien. Een echte leuke stad. Desondanks alle vooroordelen.
Veel foto´s zijn hier te vinden.
Julie wordt 14 maand
We stappen al bijna. Aan de hand flink, alleen meestal maar een paar stapjes en dan rap terug de grond op.
We slapen redelijk goed, maar oh-we als we moeten gaan slapen. Het is niet meer van in bedje leggen, kopje strelen, weg wezen. Het is van janken en kreunen en hysterisch worden en schoppen en tieren. Pas als we erg moe zijn vallen we in slaap. Of buiten, in de koets, als de laatste remedie.
We eten ook niet meer zo bijzonder goed. Soms krijgen we het in ons hoofd dat we niet gaan eten ook als we honger hebben. We houden stuk bij voet totdat we met iets compleet anders afgeleid worden. Dan valt het er in.
We zijn verzot op papa. Táta. De beide. We verstaan dus ook al kennelijk de beide talen, en als papa zegt “waar is je neusje” dan wijzen we het evengoed aan als wanneer mama het in het Tsjechisch vraagt.![]()
We waaien dada. Dat vinden we geweldig. Ook aan vreemde mensen of mensen die pas binnenkomen, die waaien we ook dada terug naar buiten. Maar we hebben geen schrik van vreemde mensen, geen spoor van eenkennigheid. Oh neen. We zouden zo maar met iedereen weglopen, als we tenminste konden lopen.
We lachen altijd. Altijd. Vooral als de zussen in de buurt zijn. Of als er aan onze voetjes wordt geblazen. Dat vinden we geweldig. En we vinden het heel spannend om voorwerpen te doen verdwijnen in zakjes en tasjes. Daarbij zeggen we “není”, “is er niet”, en dan toveren we het er terug boven op. Een fantastisch vermaak!
We klimmen overal op. We kunnen het niet verdragen als de zussen op hun stoelen zitten en wij niet, wij moeten er ook bij gaan zitten, kost wat kost. Op eigen houtje liefst. We zijn kortom een kapoen. Correctie, een KAPOEN.
Schaak – mat!
Louisa heeft de smaak van het schaken gepakt. Zonder inleiding, zonder hersenspoeling, zonder training. De kleindochter van een internationaal grootmeester en de beste Tsjechische schaker van de jaren 70 begon in ene keer te vragen dat er iemand met haar schaak speelt.
Ik weet wel hoe je de verschillende stukken mag verzetten, maar daar houdt het zo ongeveer mee op. Meer heb ik van thuis niet meegekregen. Mijn vader die zijn heel jong leven lang over de hele wereld van het ene naar het andere toernooi reisde en flink wat prijsen in de wacht wist te slepen, heeft eerst, toen ik nog heel klein was, een paar keer een poging gedaan om mij wat strategisch denken bij te brengen. Hij zette de stukken in een bepaalde positie en zei bvb: “De witte wint in de vijfde zet.”. Ik baalde meestal.
Hij heeft er voor goed de brui aan gegeven op het moment dat ik naar huis kwam met een diploma van de eerste plaats van een meisjestoernooi onder de 15 jaar. Zijn vreugde werd aanvankelijk duidelijk overschaduwd door twijfels. Toen moest ik de waarheid opbiechten – ik was de eerste omdat er geen andere vrouwelijke deelnemers van onder de 15 aanwezig waren…Sinds toen werd er bij ons thuis nooit meer over schaken gepraat. Mijn schoolgenoten op de middelbare berichtte mij over zijn overwinningen “overseas”, terwijl hij thuis gewoonlijk antwoordde op de vraag hoe het was met een onbeduidende “buaah”.
En nu dit. Louisa wil schaken, maar mijn vader is vastberaden – hij gaat haar daar niet in helpen. Want vrouwen en schaken, dat gaat niet samen. Ene keer ze eraan beginnen is er geen weg meer terug, volgens hem althans, en dan kunnen ze niet anders dan een gezinsleven opgeven want ze gaan toch alleen met een schaker kunnen trouwen, en twee schaakspelers, dat is een ramp voor het gezinsleven. Mijn moeder zou daar boekdelen over kunnen schrijven, dat is wel waar. Met hoofdstukken zoals “Man nooit thuis”, “Koffers weer uit- en inladen” en “Ween niet kindje, dat is je papa toch!”. En inderdaad, de meeste schaakspelers die ik bij ons over de vloer heb zien lopen, dat waren voor een deel buitenaarde wezens.
Maar kom, van de regels te leren moet je nog niet noodgedwongen een profesionele schaakspeler worden. Louisa kreeg de smaak te pakken toen ze bij mijn ouders een schaakbord zag liggen. Ze vroeg mijn moeder om met haar te schaken. Die antwoordde eerlijk dat ze geen benul heeft van hoe dat moet. Luc zei tegen Louisa dat ze het maar aan mijn vader moet vragen. Louisa trok haar wenkbrouwen op alzof ze zeggen wou “genoeg nu met de plagerij!” Het leek haar heel raar dat Děda (opa) het zou kunnen als zelfs Babi (oma) het niet kan.
En toch. Děda Jan Smejkal kan het wel.
De meeste ongelukken gebeuren thuis…
… wordt dikwijls gezegd, en we hebben in levenden lijve kunnen ondervinden dat het klopt. Afgelopen zondag is Julietje van de zetel getuimeld op de leuning van de zetel ernaast. Het zou allemaal niet zo erg zijn mocht die tweede zetel geen houten leuning hebben en mocht Julie haar tandjes er niet in hebben gezet.
De gevolgen waren bloedachtig. En de arts bij spoed in Motol ziekenhuis vond het noodzakelijk om haar tong op acht plaatsen te hechten – zowel van boven als van onder hebben haar tanjdes daar diepe kuilen in gemaakt. Tot onze verschrikking leken ook haar bovenste vier tandjes terug in de kaak gedrukt te zijn.
Ondertussen zijn we een paar dagen verder. De tong ziet er verschrikkelijk uit – door hechtingen verdeeld in verschillende veldjes waartussen draadjes uitsteken. Op sommige plaatsen heeft ze witte of grauwe plekken van aangetast weefsel dat zich probeert te herstellen. Niets van aantrekken, zegt de arts, maar het is moeilik want alleen al de stank verraadt dat dit genezingsproces druk bezig is.
De eerste nacht was een nachtmerrie. De verdoving was gedaan en we mochten haar niet troosten met een tut om haar tandjes niet verder in gevaar te brengen. Julie was meer wakker dan dat ze sliep, en het enige wat haar een beetje troost kon verschaffen waren Bumba filmpjes op YouTube tussen 02 en 03u ´s nachts.
Nu gaat het al veel beter, ze slaapt weer en lacht, wat ons blij maakt en ook enige inzicht geeft in de staat van haar tongetje – de draadjes zijn bijlange nog niet vergaan, de grauwe plekjes zijn steeds aanwezig, alleen de stank wordt misschien wat minder en ze zevert ook geen liters meer per dag.
Op maandag gaan we terug op controle. Duimen maar dat ze haar bovenste tandjes niet gaan moeten trekken – daar maakte de tandarts zich namelijk zorgen over.
P.S. Op de foto in Berlijn – Julie terug in haar sas, voorgesleept door de twee zussen. Hand in hand hebben ze een goede 400 meter gewandeld. Het lijkt of Julie haar ongeval al vergeten is – ze blijft echter nogal driftig als ze haar zin niet krijgt, iets wat ze ervoor niet deed.
Louisa op sluipjacht
Lieve mensen, het is zover. Ons Louisa begint naar de jongens te kijken.
Het is me een paar keer opgevallen dat als ik ze kom halen in de tuin van de school ze stiekem iets met haar vriendinnetje Adélka bekokstooft, dan kijken ze in een bepaalde richting en giegelen zeer meisjesachtig.
Op een dag kwam Louisa zelf naar mij toe: “Mama,” zegt ze, “we bespieden Lukáš van het derde leerjaar. Hij is een hele lieve jongen.” En hoe bespieden ze hem dan, vraag ik. “Gewoon,” antwoordt ze, “we besluipen hem en dan doen we ´boeh´en hij schrikt en het is zo grappig! Maar we willen hem niet pesten hoor, hij is een hele lieve jongen…” Ja ja….In het Tsjechisch zeggen we “haar kuiten beginnen aan te branden.”
Met de fiets in de buurt van Beroun – Jitřenka
Het begint stilaan een leuke traditie te worden. In de herfst en in de lente een weekendtje gaan fietsen met andere bevriende koppels en hun kroost. Ook deze keer zijn we maar een dertigtal kilometers van Praag gelandt, in de prachtige bosachtige en rotsachtige streeks rondom de rivier Berounka.
Het was even vresen wat voor iets dit ging worden – Julie zat nog steeds vol puntjes van de net afgelopen waterpokkeninfectie en de weerman was nogal sceptisch. Maar de verleiding was groot om het toch eens te proberen.
Amélie kreeg die week een grote fiets van Louisa met versnellingen en ze was er tot onze grote verbazing direct mee weg. Louisa kreeg ook een fiets, een goede nieuwe fiets om mee naar school te fietsen. (Haar vriendinnetjes worden trouwens jaloers – ze is de enige van de hele school die met de fiets komt, enfin er staan in ieder geval geen andere fietsen gestald, en dikwijls als ze een vriendinnetje mee naar huis neemt mag ze bij mij erachter op de bagagedrager zitten terwijl haar vriendinnetje haar fiets neemt. En keer op keer is het als de mama ze komt halen, de ene of de andere, “ik wil ook met de fiets naar school, zoals Louisa!”. En elke mama veegt dat van de tafel al zeggend, “nou, jou wil ik wel elke dag de berg omhoog zien fietsen!”. Terwijl ons Louisa elke dag de berg omhoog fietst. En daar gaat het nu eigenlijk om – sinds ze haar nieuwe fiets heeft, fiests ze de berg omhoog zonder om te kijken of er een keer van af te stappen. Wat een metamorphose, zeg!
Enfin, dus wij op fietsweekend. De bomen stonden prachtig in bloei, de wolken trokken bekoorlijk en zwijgzaam over het landschap en de kinderen trapten met al hun kracht. Ons Amélietje van de jongste in het peloton die volledig op haar eigen beentjes moest terugvallen. Er zaten er een paar in de fietsstoel en eentje werd getrokken met een trekstang. Onze trekstang lag thuis in de garage te rusten, een foutje, dus kreeg Amélie het zwaar te verduren.
De eerste dag hebben we 22km gefietst, op en af, langs een beek in het bos, met een 4km-lange afdaling naar onze bestemming. Louisa fietste superleuk zonder gezeur, voor Amélie werd het stijgen moeilijk, dus hebben we een tijdje moeten te voet gaan. De tweede dag hebben we 15 km gedaan met als hoogtepunt een rit met een treintje. We kunnen al haast niet wachten op de volgende uitdaging! Hier is de complete fotoreportage.
De pot op met Julie
Tegen al deskundig advies (van Belgische kinderartsen) in vindt mijn moeder en mijn tante dat nu Julie haar eerste kaarsje heeft uitgeblazen het de hoogte tijd is om met de zindelijkheidstraining aan te vangen. Dat de sluitspieren van de blaas het nog niet onder controle hebben deugt niet als argument. Wij waren toch ook getrained toen we met anderhalf zonder luiers rondliepen!
Ten welke kost vraag ik me soms af? Toen we nog in Belgie woonden en regelmatig met de kinderen naar Praag kwamen pasten mijn ouders heel graag voor ze op terwijl wij ons aan het uitleven waren in de stad. Dikwijls toen we terugkwamen zei mijn vader dat ze met Louisa niet eens naar buiten zijn geraakt. Hoe dat niet? Ze zat de ganse namiddag op de pot, en ze wouden niet weg gaan voordat ze had geplast. Zo dus…..
Na ja, om de kerk in het midden te houden heb ik ons potje uit de kelder gevist. Af en toe als ik Julie verluier zet ik haar daar even op. In plaats van een zindelijkheidstraining lijkt het echter eerder op gymnastiek: opstaan, hurken, opstaan, hurken, opstaan. Vooral opstaan dan. Een paar dagen geleden was het haar gelukt om tijdens die picoseconde die ze hurkte een klein beetje te plassen. Je kon op haar gezicht aflezen dat ze dat niet eens in de gaten had. Ik en Amélie begonnen haar toe te juichen – Julie keek ons aan van: allé na, wat gebeurt er nu? Toen ik haar haar eerste product heb laten zien vond ze het de moeite niet eens om om te kijken. Maar goed, het is gelukt. Deze keer dan toch 🙂
Te fiets naar Zbraslav
Voorbij ons huis gaat een fietsroute. Door het Kunraticky bos, langs het Krč kasteeltje met een golfterein, langs baseballvelden tot aan de rivier in Bráník waar je met je kinderen verplicht moet stoppen – een fantastische grote speeltuin lokt ze aan om even een pauze te nemen. Julie heeft daar voor de eerste keer in het gras gekropen.
Dan spring je op je fiets en je rolt verder langs de rivier Vltava. Als je naar rechts gaat, fiets je richting oude stad, maar daar wouden we niet heen. We wouden even weg van de stad.
Weg van de stad voel je je echter langs deze rivier niet. Doordat het een van de langste fietspaden in Praag is, is ze druk bezocht door zowel fietsers als rollerbladers. Maar het grote teras van het boot-café kan ze allemaal aan, hoor!
En weer fiets je langs golftereinen – het is echt een nationale sport aan het worden in Tsjechïe (Luc zou het ook ziet zitten, maar hij vreest dat ie de stempel van een dikke nek krijgt als hij het doet 🙂
De beide oevers van de rivier zijn ingekaderd in stijle hellingen met rotsen en bossen. Soms gaat het fietspad heel nauw bij de spoorweg en als er een trein voorbij raast zou je beter je hoed vasthouden. Maar de helm houdt van zelf vast, dus geen zorgen.
Zbraslav is een van de verst liggende deelgemeentes van Praag, een goede 15 km van bij ons. Een dorp met een kasteeltje dat als museeum dient. Een vooral een verrukelijkk Mexicaans restaurant Barabizna. Dat alleen is zo´n tocht waard zelfs in gietende regen.
In Barabizna tanken we weer bij en klaar zijn we om de terugreis tegemoet te gaan. De kinderen zeuren nog niet, ze hebben net een olifant-eisje veroberd en zijn content. Plus het is altijd plat, precies Antwerpen, dat zijn we in Tsjechïe niet gewoon!
Onderweg terug pakken we een andere route, door het ravijn Modřanská rokle. Gezellig langs een beek, tussen twee steile hellingen door tot aan een kleine stuwdam, en dan zig-zag door een woonwijk tot in ons bos. De laatste 5 km heeft Amélie er genoeg van. Ik trekt ze op de stang en voordat we naar huis geraken wil ze er weer van af. Ze fietst toch liever zelf! Hier is een fotoreportage.