Louisa heeft de smaak van het schaken gepakt. Zonder inleiding, zonder hersenspoeling, zonder training. De kleindochter van een internationaal grootmeester en de beste Tsjechische schaker van de jaren 70 begon in ene keer te vragen dat er iemand met haar schaak speelt.
Ik weet wel hoe je de verschillende stukken mag verzetten, maar daar houdt het zo ongeveer mee op. Meer heb ik van thuis niet meegekregen. Mijn vader die zijn heel jong leven lang over de hele wereld van het ene naar het andere toernooi reisde en flink wat prijsen in de wacht wist te slepen, heeft eerst, toen ik nog heel klein was, een paar keer een poging gedaan om mij wat strategisch denken bij te brengen. Hij zette de stukken in een bepaalde positie en zei bvb: “De witte wint in de vijfde zet.”. Ik baalde meestal.
Hij heeft er voor goed de brui aan gegeven op het moment dat ik naar huis kwam met een diploma van de eerste plaats van een meisjestoernooi onder de 15 jaar. Zijn vreugde werd aanvankelijk duidelijk overschaduwd door twijfels. Toen moest ik de waarheid opbiechten – ik was de eerste omdat er geen andere vrouwelijke deelnemers van onder de 15 aanwezig waren…Sinds toen werd er bij ons thuis nooit meer over schaken gepraat. Mijn schoolgenoten op de middelbare berichtte mij over zijn overwinningen “overseas”, terwijl hij thuis gewoonlijk antwoordde op de vraag hoe het was met een onbeduidende “buaah”.
En nu dit. Louisa wil schaken, maar mijn vader is vastberaden – hij gaat haar daar niet in helpen. Want vrouwen en schaken, dat gaat niet samen. Ene keer ze eraan beginnen is er geen weg meer terug, volgens hem althans, en dan kunnen ze niet anders dan een gezinsleven opgeven want ze gaan toch alleen met een schaker kunnen trouwen, en twee schaakspelers, dat is een ramp voor het gezinsleven. Mijn moeder zou daar boekdelen over kunnen schrijven, dat is wel waar. Met hoofdstukken zoals “Man nooit thuis”, “Koffers weer uit- en inladen” en “Ween niet kindje, dat is je papa toch!”. En inderdaad, de meeste schaakspelers die ik bij ons over de vloer heb zien lopen, dat waren voor een deel buitenaarde wezens.
Maar kom, van de regels te leren moet je nog niet noodgedwongen een profesionele schaakspeler worden. Louisa kreeg de smaak te pakken toen ze bij mijn ouders een schaakbord zag liggen. Ze vroeg mijn moeder om met haar te schaken. Die antwoordde eerlijk dat ze geen benul heeft van hoe dat moet. Luc zei tegen Louisa dat ze het maar aan mijn vader moet vragen. Louisa trok haar wenkbrouwen op alzof ze zeggen wou “genoeg nu met de plagerij!” Het leek haar heel raar dat Děda (opa) het zou kunnen als zelfs Babi (oma) het niet kan.
En toch. Děda Jan Smejkal kan het wel.
